Kunsthistorische achtergrond

(Ontleend aan ‘Ten geleide' van Ype Koopmans in de monografie Gijs Jacobs van den Hof)

Er wordt weleens beweerd dat het als kunstenaar moeilijk is om in de provincie je vleugels uit te slaan. Voor iemand als Gijs Jacobs van den Hof gaat dat dus niet op. Als voorzitter van de Nederlands(ch)e Kring van Beeldhouwers heeft hij zich niet alleen ingezet voor de ontwikkeling van de beeldende kunst in zijn woonplaats, maar zelfs van de hele regio. In het begin van de jaren dertig heeft hij onder andere aangedrongen op de inschakeling van beeldhouwers bij de nieuwe Gelderse rijksbruggen en bij bouw- en gemeentewerken in Arnhem en Nijmegen.

Jacobs van den Hof is als leraar buitengewoon invloedrijk geweest. Wellicht zelfs van meer invloed dan de in dat opzicht legendarische professor Jan Bronner op de Rijksakademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam. Al bleven zij anders dan de meeste Bronner-leerlingen veelal in de schaduw van hun leraar, 'de school van Van den Hof' heeft nooit te maken gehad met het ingewikkelde generatieconflict waarmee zoveel Rijksakademie-leerlingen te kampen hadden, die, voor zover zij niet voordien al hadden afgehaakt, zich later vaak van hun academietijd hebben gedistantieerd.

Nel Klaassen

Toen Jacobs van den Hof halverwege de jaren twintig in de gaten kreeg dat Nel Klaassen zich bij hem niet meer kon ontwikkelen, heeft hij haar gestimuleerd om naar de Rijksakademie, naar Bronner te gaan. Maar toen Pieter Starreveld na de Rijksakademie behoefte had aan technische kennis op het gebied van bronsgieten schroomde hij niet om een 'stapje terug' te doen en in Arnhem bij Jacobs van den Hof in de leer te gaan. Zoals Elly van der Does - een van Bronners eerste leerlingen - in haar vrije tijd in Gelderland bij Jacobs van den Hof het houtsnijden moest leren, dat toen op de Rijksakademie nog niet aan de orde was.

terug naar boven

De jaren veertig

Het onzekere stapje naar de abstractie dat sommigen van zijn leerlingen na de oorlog maakten, was voor Jacobs van den Hof op dat moment niet meer interessant, een overwonnen standpunt, en dat is waarschijnlijk een belangrijke reden waarom zijn werk zolang niet te zien is geweest. Hij was na enkele experimenten in de eerste helft van het interbellum steeds meer geïnteresseerd geraakt in het voorbeeld van de klassieken en daarnaast van Michelangelo, en van Rodin. Aan het eind van zijn loopbaan vond men echter dat het verleden niet meer als inspiratiebron kon gelden en raakten zijn meer conventionele en ambachtelijke criteria geleidelijk bedolven onder het bezinksel van het modernistische originaliteitsbeginsel. Tegen alle logica in werd de kunstgeschiedenis steeds meer beschouwd als een chronologische opeenvolging en afpaling van stijlen, terwijl toch al zo vaak was gebleken dat stijlopvattingen soms behoorlijk willekeurig door de eeuwigheid heen kunnen liggen. Dat geldt wel het meest voor het classicisme: bedacht door de Grieken, overgenomen door de Romeinen, inspiratiebron voor de kunstenaars van de renaissance, eind achttiende begin negentiende eeuw weer volledig in de belangstelling door Canova en Thorvaldsen, omstreeks de volgende eeuwwende herontdekt door Hildebrand, en niet te vergeten Maillol. De classicistische kunstopvatting was in de jaren dertig en veertig van deze eeuw internationaal gezien misschien wel populairder dan ooit en Jacobs van den Hof was daarvan in Nederland een van de belangrijkste exponenten. Er bestond voor hem zoals voor haast alle nieuwe classicisten maar één thema: het harmonisch verband van het leven en de natuur, gepersonifieerd door het vrouwelijk naakt, altijd al zijn lievelingsonderwerp.

terug naar boven